De
draak
Heel, heel, heel, heel lang geleden was er eens een draak. Die was heel
gemeen. Hij spoog vuur en hij had vijf staarten, en hij had 3 koppen en
hij had 4 ogen en hij had ook twee armen en ook 1 been en 0 tanden.
Jerzy van Huuksloot (groep 4)
Naar
Spanje
Ik ga naar Spanje. Als je in de zee gaat en midden in de zee staat, dan
komen je knieën nog boven water. Je ziet de dolfijn in de zee. Je ziet de
schelp zweven op de bodem.
Dayelle Helsdingen (groep 4)
De
draak en de ridder
Er was eens een kasteel op een heel hoge heuvel. En op de berg woonde de
draak. Een heel gemene draak. Hij heeft een lange staart en hij spuugt
vuur. Op een dag ging de ridder met zijn paard Dylan naar de berg van de
gemene draak om hem uit te dagen. En de draak heette Jerzy en de koning
Anne. Hij was blut en de ridder heet Sabir.
Sabir (groep 4)
De Twee Baby’s
Er waren eens twee baby’s.Een jongen en een meisje.Ze heetten Brit en
Tim.Tim deed het meeste kattenkwaad en Brit werd altijd betrapt!
Daar kreeg Brit even genoeg van en daardoor kwam er ruzie.Brit
trok aan Tim’s haar en Tim zei dat hij koekjes schoot, maar hij schoot
snottebellen en Brit at ze! De oppas kreeg er de
balen van. Ze vroeg aan Brit en Tim: “Wat is hier
aan de hand? Jullie willen nooit ruzie en wat is
hier: ruzie! Wat is dat nou? Als jullie zo doorgaan
zet ik de één op de gang en de ander op zijn kamer!”.
Ze hielden meteen op, want dat wilden ze niet.
Maar ze gingen wel door met kattenkwaad! En nu was het
andersom. Nu kreeg Tim op zijn kop!
Dat was ook weer niet leuk. En de
oppas zij: “Samen spelen, samen delen”. Maar Tim
brabbelde koe ka ka koe (en dat betekent oké.). En
Brit brabbelde hetzelfde. Toen kwam er weer
eindelijk rust! Oppas blij, iedereen blij hè hè.
Maar bij hun moeder ging het nooit zo, dus daar was ze wel verbaasd over.
Nicole (hun moeder) stopte met werken. Buurvrouw Corry, zij wist het en
was daar ook verbaasd over. Maar dat kwam, omdat ze voor de eerste keer
waren en zo ging het verhaal door het stadje Haarlem.
Roos Braam (groep 5)
Het
enge bos
Er waren eens twee meisjes. Ze heetten Lotte en Sanne. Ze gingen buiten
spelen. Ze mochten van hun ouders niet naar het bos. Het werd donker. Ze
wisten niet meer waar ze naartoe moesten. Lotte zei tegen Sanne: “Weet je
nog waar we naartoe moeten?” Sanne zei: “Nee, jij wel?” Ze gingen door het
bos. Ze vonden het heel eng. Ze moesten huilen, zo eng was het. Je hoorde
enge geluiden. Ze zagen oranje ogen en opeen was het over.
Kayleigh Dekker (groep 5)
Het
mensleger tegen de duivels
In het leger zitten Hans en Frans en Tim en Tom. Ze vechten tegen de
monsters en winnen altijd. Behalve gisteren; toen kwam een leger duivels
die wonnen. Maar ze komen weer terug. “Oh nee”, zegt Tim, “daar zijn ze.
Pak je schild”. Tom is geraakt. Gelukkig gaan ze weer weg. Zijn hand is
gebroken. Hij moet naar het ziekenhuis. Nu is er één minder, maar ze geven
niet op. Maar ook één van de duivels is dood. “Maar ze komen terug, dat
weet ik zeker”, zegt Frans. “Tot morgen jongen, dag”.
De volgende dag zijn de duivels er weer. Maar ze zeiden de
laatste keer zei de baas van de duivels. Alleen Drakula met z’n adem kan
ons verslaan ha, ha, ha, ha. Ze vroegen aan
iedereen waar Drakula was, totdat iemand zei dat hij in Milaan was. Ze
gingen naar Milaan. Daar zagen ze en grot. Daar zat Drakula te slapen. We
deden een pot voor zijn mond. Z’n adem ging in de pot. De duivels kwamen
weer. We deden de pot open en de duivels snelden allemaal weg.
Abdel Ben Saga (groep
5)
Griezelen met jou
Ergens in een geheimzinnig woud leefden de griezels (heksen, duivels,
weerwolven, vampiers, draken en tovenaars) en ze richtten de meeste schade
ooit aan. De taak van de heksen was kinderen
ONTVOEREN. De taak van de duivels was kinderen SLACHTEN. De taak van de
weerwolven was kinderen BANG maken en de taak van de vampiers was het
BLOED uit de kinderen ZUIGEN. De taak van de draken was de kinderen te
BRADEN met zijn eigen vlammen en de taak van de tovenaars was de BOTTEN
uit de kinderen te halen en er levende geraamtes van te maken.Maar
op een dag kwamen er twee heksen het land in. Maar niemand wist dat het
GOEDE heksen waren. En op een dag versloegen zij de griezels tijdens de
Tweede Griezeloorlog. En de heksen zorgden er voor dat er geen
slechteriken meer binnendrongen. En ze waren het volk dierbaar en bedankt.
Einde.
Luca Achterhof (groep 5)
De
vampier
Er was eens een vampier. Hij was de sterkste en de grootste. En toen liep
er een vrouw en ze zag de vampier. En ze schreeuwde: “Ahhhhhhhh” en viel
toen flauw. De vampier ging haar bloed oplikken en toen werd ze zijn zus.
Ze gingen mensen zoeken. Maar toch niet. Er ging veel bloed in een
reuzenglas. En ze gingen een beetje bloed drinken. Ze werden groten en
groter, zodat het huis kapot ging. En ze konden niet meer door de deur. Om
buiten te komen, moesten ze op het dak klimmen. Daar kwam een helikopter
en ze probeerden die dood te schieten. Maar toch niet. En de vampiers
transformeerden in vleermuizen en ze gingen naar de vampierenschool.
Rey de Jaeger (groep 5)
Het
spokenleger
Er was eens een leger. Ze wonnen elke keer. Het was het grootste en
sterkste leger ooit. Tot ze verloren. Ze verloren van het spokenleger. Ze
werden afgeslacht. De spoken hadden demonen. Ze waren niet te verslaan.
Het was rustig tot de demonen zich gingen verzetten. Alleen de demonen
konden ze verslaan en ze waren sterker. Ze waren nu twee legers. Nu waren
ze niet zo sterk als eerst. Nu wonnen ze nog steeds. Maar er was en ander
sterk leger. Ze vochten tegen de sterkste van de sterkste. Ze wonnen
altijd. Ze waren van botten gemaakt. Als ze werden geraakt op de benen,
dan vielen die eraf. De spoken vielen het leger van de botten aan. De
spoken wonnen. Nu gaat het tussen de demonen en de spoken. De demonen
vielen de spoken aan en demonen wonnen.
Corne v/d Plas (groep 5)
De
verteller van enge verhalen
Er was eens een man die enge verhalen vertelde. En diezelfde avond
vertelde hij het engste verhaal ter wereld. En dat ging zo:
Er waren eens twee kinderen Guus en Thea. De ouders hadden
nooit tijd voor ze. En op een dag gingen Guus en Thea naar het bos. Ze
zagen iets lopen. “Wat is dat?”, vraagt Tom. “Ik weet het niet”, zegt
Thea. Het komt dichter en dichterbij. Ik weet het,
het is een MUMMIE, een mummie AAAAAAAAAA een mummie. “Hoi, ik ben een
eend. En wie zijn jullie?” “Wij zijn Guus en Thea. Zag je net ook een
mummie?”
“Dat kan niet. Dit is het eendenbos! Waarom zijn jullie hier eigenlijk?”
“Onze ouders hebben geen tijd voor ons. Nu ga ik maar naar huis toe”.
“Oké, doei!” “Mam, pap, gaan we naar het speelkasteel?”
“Ja waarom niet, kom we gaan! Doei eend, doei Guus en Thea”.
Monique Plug (groep 6)
Een
prinses die het leven van een varkentje wilde
Er was eens een prinses die heel graag vies wilde worden. Maar dat mocht
niet van haar moeder. Dus ging ze een keer stiekem naar buiten op zoek
naar een grote modderplas. Maar ze vond hem niet. In plaats van een
modderplas, zag ze een kikker die kon praten. De kikker zei: “Je mag niet
in de modder springen, want dan wordt je vies”. “Maar ik wil
zoooooooooooooo graag een keer heel erg vies worden”, zei de prinses. De
kikker zei: “Alleen varkentjes liggen in de modder en vinden dat fijn”. De
prinses zei: Ïk zou ook eens als een varkentje in de modder willen
rollen”. Toen zei de kikker: “Als je het heel graag wil, dan moet je het
maar doen. Maar niet in mijn vijvertje. Ga maar in de modderpoel van de
varkentjes hiernaast”. Toen zei de prinses: “Dit is het leukste dat ik in
mijn hele leven heb gedaan”. En ze dook met veel plezier tussen de varkens
de modderpoel in.
Jamie Guijt (groep 6)
Baas
heeft vakantie en hij is jarig
Er was eens een jongen en die heette Baas. Hij had drie vrienden. Op
vrijdag ging hij op de laatste dag naar school. Dan heeft hij vakantie. Op
15 maart is hij jarig. Dan nodigt hij al z’n vrienden uit. Op de
verjaardag hadden z’n vrienden ruzie. Er was maar één snoepje. Eén vriend
zei: “Als je dat snoepje niet aan mij geeft, ben je mijn vriend niet
meer”. Baas gaf hem het snoepje. De andere vriend zei: “En als je dat
snoep niet aan mij geeft, ben je mijn vriend niet meer”. Toen schreeuwde
Baas: “Hou op!!!!!!” En de vrienden zeiden: “Oké, best, ik wil je vriend
ook niet meer zijn”. De volgende dag had Baas geen
vrienden. En toen zag hij dat een jongen alleen stond te spelen. Baas
rende naar hem toe om te kijken wat de jongen aan het doen was. Toen vroeg
hij: “Wil je mijn vriend zijn?” En toen zei de jongen: “Ok” en ze gingen
samen voetballen.
Adrian Kowalewski (groep 6)
Spannend
De jongen werd wakker. Hij kroop uit zijn bed. Hij stootte als gewoonlijk
zijn hoofd. Hij klaagt: “Waarom krijg ik de kleinste kamer?” Hij ging naar
beneden n vroeg aan zijn moeder: “Mag ik de zolder als kamer?” Waarop zijn
moeder antwoordde: “Nee!” “Waarom niet?” “Nee is
nee. Dat is de logeerkamer”.We
moeten naar school. Toen de school uit was, ging hij even spelen. En toen
naar bed. Maar hij wachtte tot zijn moeder sliep. Hij ging naar zolder.
Hij kon maar niet slapen. Toen sliep hij eindelijk. Hij werd wakker. Hij
liep naar de spiegel. “W.. wat is er gebeurd? Ik ben veel groter”. Hij
liep naar beneden “Mam, snel naar school”.
Ondertussen bij school wil Tim uitstappen. “Wat ga jij doen?”, riep zijn
moeder. “Jij zit hier niet op school. Alleen je broertje. Kom mee”. Ze
rijden verder. Opeens bij de brugklas stopt de auto. “We zijn er”. “Oh nee
hè, hier heb ik geen zin in. Ik doe gewoon of ik ziek ben”.
Rick v/d Linden (groep 7)
De
vloek van de piraten
Er waren eens twee broers. Ze heetten Bart en Daan. Ze vroegen aan hun
moeder of ze naar het bos mochten. Dat mocht niet. Maar ze gingen toch. Ze
kwamen dieper in het bos en toen zagen ze een grot. Ze gingen er in en
vielen in het water. Daar zagen ze de black pearl. En ze gingen op de
black pearl. Toen vonden ze een kaart waar een raadsel op stond. Dat
raadsel was moeilijk op te lossen, maar toen wisten ze het. Ze moesten
zoeken naar een sleutel. Ze keken op hun horloges en het was half elf in
de avond. Dat was al veel te laat voor ze. Ze renden naar huis en toen
zagen ze een man onder een zwarte mantel met een hakmes en een papier. Ze
renden verder en verder, totdat ze eindelijk thuis kwamen. Hun moeder was
ongerust, maar ze kregen geen straf, dat was duidelijk.
Maar ze moesten het raadsel omschrijven en oplossen en er
was ook een gevaarlijk stuk. Van de kaart de vloek van Davi Jonnes de
inktvis man van het schip de Vliegende Hollander.
De volgende dag hadden ze vrij, want het was zaterdag. Dus gingen ze naar
het schip en voeren ze naar zee richting het eiland. Maar ze hadden alleen
een kaart en dus was het niet zo moeilijk om er naar toe te varen.
Uiteindelijk vonden ze het eiland. Maar de vijand lag op de loer. Dus
moesten ze de schat snel pakken. Maar ze werden gevangen door kannibalen
en die stopten ze in een kooi. De kannibalen pakten de schat af en gaf het
aan hun leider. Maar toen had Bart tegen Daan gezegd: “Ik vind het niet
meer leuk om naar die schat te zoeken”. Daan vond
het nog wel leuk, want hij houdt van raadsels. Bart
vond het niet leuk om 9 jaar te zijn, maar ze moesten ontsnappen. Ze
trokken en duwden tegen de kooi totdat die eindelijk kapot was. Het werd
oorlog tussen de kannibalen en Daan en Bart. Daan ging de kannibalen
afleiden en Bart pakte de schat en rende weg. Toen ze eindelijk op het
schip waren, was Davi Jones er ook. Toen kregen ze een aanvaring. Toen
vochten ze tot Davi Jones werd doodgestoken. Toen
zag Bart de sleutel en pakte hem op. Ze pakten de kist en deden hem open
en zagen gouden juwelen en diamanten. Toen gingen ze naar huis en haalden
hun vader en moeder. Toen was alles verdwenen. Zelfs de kannibalen de man
en de schat en het schip en de piraten. En ook zelfs de grot; echt alles
was verdwenen en ook de vloek.
Marc Parlevliet (groep 6)
Het
bosspook
Er was eens een meisje dat Nienke heette. Ze was met haar hond Hektor aan
het wandelen. Van haar moeder mocht ze niet naar het Nevelbos, omdat ze
dan kon verdwalen. Maar Nienke wou zo graag weten wat daar was, dat ze met
Hektor er naar toe ging. Toen ze aan de grens was, twijfelde ze of ze
ging, omdat het heel mistig was. Maar ze raapte al haar moed bij elkaar en
ging er in. Ze liep heel zachtjes, stapje voor stapje. Het werd steeds
mistiger, Nienke werd steeds banger en banger. Maar toen, wat hoorde ze
daar? Was het een spook? Nee, dat dacht ze in ieder geval. Ze dacht ook
dat spoken niet bestaan. Maar toen braken er takken. Ze rende en rende. In
de verte zag ze licht. Ze dacht dat het de uitgang was. Maar toen ze er
eenmaal was, bleek dat ze in het midden van het Nevelbos was. Ze was
verdwaald. Maar het ergste was, dat Hektor verdwenen was. Ze was helemaal
alleen en toen kwam het geluid weer. Het kwam van alle kanten en het werd
steeds donkerder. En toen hoorde ze voetstappen, takken kraakten. Er kwam
iemand naar haar toe. Ze zag ineens rode ogen, groen slijm en een
bloedstollend geluid. Het kwam steeds dichterbij. Nienke stond stokstijf
stil en toen gilde ze het uit. Toen zette ze het op een lopen De man kwam
achter haar aan. Ze rende en rende en ze gilde, maar er kwam geen geluid
uit. Ze zag weer licht en dacht dat ze een rondje had gerend en dat was
ook zo. Maar deze keer stond Hektor er. Nienke was zo blij, dat ze vergat
dat ze achterna werd gezeten. Toen ze bij Hektor was, hoorde ze een tak
kraken en wist weer dat ze achterna werd gezeten. Ze ging met Hektor snel
weg. Ze kwam bij de uitgang en ging naar huis.
Tessa Lieverst (groep 7)
De
gemene jongens
Op een dag kwamen de twee jongens naar het schoolplein. De jongens zagen
drie meisjes. De jongens gingen naar de meisjes toe en zeiden: “Hé, jullie
daar. Ga eens weg”. En de meisjes zeiden: “Nee, we mogen hier komen”.
Maar de jongens werden heel boos en zij waren eigenlijk
jongens die altijd boos werden als iemand “nee” tegen ze zei. Dus gingen
de jongens naar de meisjes toe en achter hun aan. En de meisjes gingen
wegrennen in een donker bos. Ze werden heel bang en de jongens waren vlak
achter hen. De jongens gingen de meisjes slaan en aan hun haren trekken en
sloegen ze bijna het ziekenhuis in. De meisjes zagen huizen en gingen naar
hun eigen huis. En de jongens ook. Einde!
Suad (groep 7)
Zwarte vlekken in de nacht.
Op een dag leest een meisje genaamd Lisa een dik boek over van alles en
nog wat. Opeens roept haar moeder dat ze uit bed moet komen, want ze moet
naar school. Ze stapt uit bed, kleedt zich snel aan en gaat naar beneden
om te ontbijten. Haar moeder heeft drie boterhammen klaar gelegd als ze in
de keuken komt.‘ Mam, waarom moet ik drie boterhammen eten?’ zegt Lisa.
Haar moeder wacht even met antwoorden en dan zegt ze:’Ik wil dat je meer
gaat groeien.
‘Ik ben toch al groot?’ zegt Lisa.
‘Niet zeuren! Eet die boterhammen nou maar op en ga naar school!’
antwoordt haar moeder.
Als Lisa haar fiets wil pakken, ziet ze dat haar vriendin er al aankomt.
‘Hoi,’ zegt haar vriendin Christina.
‘Hoi. Weet jij trouwens of we het tweede uur natuur hebben?’ vraagt Lisa.
‘Volgens mij wel.’
‘Oké, dan weet ik dat ook weer.’
Terwijl ze naar school gaan, praten ze verder. De dag verliep rustig en
toen ze uit school kwamen zeiden ze elkaar gedag en ging Lisa naar binnen.
Ze ging naar haar kamer en ging verder lezen in het dikke boek. Toen haar
moeder de kamer binnen kwam zei ze:’Waar bleef je zolang?’
Lisa zei: ‘Ik was gewoon aan het lezen in dit boek.
Ze liet het boek zien, dat al half kapot was, omdat ze telkens als ze weg
ging het boek op de grond smeet. Haar moeder keek een beetje boos naar het
boek en zei:’Je moet wel voorzichtig omgaan met dat boek. Het was wel een
heel duur boek!’
‘Oké,’ zei Lisa met een niet geïnteresseerde toon. Ze ging weer verder met
lezen toen haar moeder de deur dicht deed. Haar moeder zei ook nog voordat
ze de deur dicht deed: ‘We gaan zo eten.’
Lisa luisterde allang niet meer en ging verder met lezen.
Toen ze hoofdstuk dertien uitgelezen had ging ze naar beneden. Haar moeder
stond te koken. Lisa vroeg:’Wat gaan we eten?’
‘Spaghetti,’ zij haar moeder.
Na het eten ging Lisa nog even tv kijken en toen naar bed. Toen ze op bed
lag ging ze ook nog lezen en daarna slapen. Toen werd ze wakker midden in
het bos. Ze zag niks. Alleen soms een zwarte gedaante. Ze zag er steeds
meer en meer. Ogen die haar boos aankeken. Uitgestoken handen die haar
wilden grijpen. Toen ze haar bijna te pakken hadden, werd ze wakker om 1
uur in de nacht. Ze dacht bij zichzelf : “Het was maar een droom!”. Ze
voelde zweet op haar voorhoofd en haar bruine haar zat aan haar gezicht
geplakt. Toen hoorde ze de deur opengaan. Ze schrok. Misschien was het de
kat. Ze zag iets onder haar bed schieten. “Dat doet de kat wel vaker”,
dacht Lisa. Toen ze onder haar bed keek, zag ze iets zwarts. Ze deed haar
nacht- lampje aan. Toen keek ze nog een keer onder haar bed. Haar ogen
werden groot en toen gilde ze zo hard als ze kon! Ze zag een zwarte
gedaante, die onder het bed vandaan kwam. Lisa rende naar de deur, maar
die ging met een klap dicht en op slot. De gedaante was bijna bij haar en
deed zijn bek open. Vlijmscherpe tanden en veel kwijl zag ze. Ze rende
naar haar boek en gooide die door het raam. Het glas brak in duizenden
scherven. Ze had door het glas een grote snee in haar arm. Ze ging via de
regenpijp naar beneden. Ze rende naar het bos en verstopte zich in de
struiken. Toen ze een kwartier wachtte, dacht ze bij zichzelf: “Zal ik hem
kwijt zijn?” Toen hoorde ze gehijg achter zich. Ze dacht: “Dat kan niet
waar zijn. Ze draaide zich langzaam om en toen zag ze de zwarte gedaante.
Ze gilde zo hard, dat ze bijna haar stem kwijt was. Ze rende naar huis en
deed de deur op slot. Toen hoorde ze iemand van de trap aflopen. Ze hield
haar adem in.
Ze zag dat het haar moeder was, die verbaast opkeek van de snee in haar
arm en haar tranen die over haar wangen liepen. Ze rende naar haar moeder.
Haar moeder vroeg:”Wat is er gebeurd?” “Weet ik
niet mam, dat weet ik echt niet.”
Ellis Dofferhoff (groep 8)
Een heel kort verhaal ...
De laatste man op aarde zit in zijn kamer. Er wordt op de deur geklopt
.....
De webmaster